Levensvragen 007: Geloof

Een hele tijd geleden schreef ik hier al dat ik zelf niet geloof in een God of een leven na de dood. Ik moet dan ook eerlijk toegeven dat ik niet echt met “geloof” bezig ben. Zo ben ik afgelopen november met mijn moeder naar Rome geweest en natuurlijk kon de Sint Pieter niet ontbreken op onze cultuursnuiftocht. Toch voelde het vreemd om daar te lopen. Ik vond het echt héél mooi om te zien allemaal en ik heb respect voor de mensen die kracht putten uit hun geloof en daar hebben zitten bidden, maar verder deed het me echt helemaal niets.
Wanneer ik er goed over nadenk, betwijfel ik of ik ooit écht gelovig ben geweest. Ik ben gedoopt en heb mijn communie en vormsel gedaan, maar achteraf denk ik dat dit voor een belangrijk deel ook een soort “mijn vriendinnetjes doen het, dus doe ik het ook maar” is geweest. Er werd gezegd dat er een God was en ik heb dat maar voor waar aangenomen, zonder daar zelf echt in te geloven.

Hoewel ik niet echt bezig ben met mijn eigen geloof, probeer ik wel rekening te houden met het geloof van anderen. Ik respecteer het feit dat zij wel ergens in geloven (en dat kan ik soms ook echt bewonderenswaardig vinden), waardoor je mij eigenlijk nooit hoort vloeken met ‘godverdomme’ of godsdiensten belachelijk hoort maken. Sowieso denk ik dat iedereen elkaar in zijn of haar waarde moet laten, en ik denk dat iemands religie voor een belangrijk deel bepaalt wie iemand is en hoe hij of zij tegen het leven kijkt. Niet iets om lichtzinnig over te doen, denk ik dus…

Levensvragen 006: Verliezen

Ik vind het leuk om allerlei spelletjes te spelen. In het ene spel ben ik beduidend beter dan het ander, maar dat weerhoudt me er niet van om in ieder geval alles eens te proberen. Over het algemeen kan ik volgens mij vrij goed tegen mijn verlies. Geen rondvliegende spelonderdelen, geen stukgeslagen computers, hooguit even een kort baalmoment waarin ik wat stiller ben. Wat dat betreft denk ik dat ik een betere verliezer ben dan winnaar, want zodra ik een spel win kan ik dat de ander behoorlijk goed laten weten. In your face! Al met al blijven het maar spelletjes, denk ik dan maar.

Het verschil met sporten is vrij groot. Ik heb jarenlang op een behoorlijk niveau squash gespeeld en ik was een soort “eeuwige tweede”. Daar had ik eigenlijk nog wel vrede mee. Ik deed mijn best en meer kon ik niet doen. Wanneer ik dan tweede werd, was dat ook heel mooi. In verband met aanhoudende enkelproblemen ben ik halverwege de middelbare school gestopt, maar zodra ik de overstap naar universiteit maakte ben ik meteen lid geworden van de squashvereniging. Plan was om dat recreatief op te pakken, maar al snel speelde ik weer wedstrijden. Wedstrijden waarin ik een stuk strenger voor mezelf was. De lat werd behoorlijk hoog gelegd door mezelf. Alles moest mooi, alles moest goed. Ik verloor zelf niet heel veel wedstrijden, maar na afloop van de wedstrijden die ik verloor kookte ik van binnen.
Aangezien ik in een team speelde, was ik ook afhankelijk van de wedstrijden van anderen. Het gebeurde vrij vaak dat ik mijn wedstrijden won, maar dat teamleden wedstrijden verloren waardoor wij als team verloren. Daar kon ik helemáál de balen van hebben.

Inmiddels ben ik al jaren geen lid meer van de vereniging en blijft het squashen beperkt tot een partijtje hier en daar. Zelfs dat is al ruim een jaar geleden. Toen ik eenmaal de vereniging los had gelaten, kon ik ook mijn fanatisme beter in de hand houden. Natuurlijk win ik nog steeds graag, maar het belangrijkste is dat ik er plezier in heb. En eerlijk is eerlijk, wanneer je je op staat te vreten van frustratie is er weinig leuks meer aan…

Kun jij goed tegen je verlies?

Levensvragen 005: Gelijkenis

Sommige mensen lijken sprekend op één van hun ouders. Ik geloof dat dat bij mij niet zo is. Er zijn mensen die vinden dat ik qua uiterlijk op mijn vader lijk, maar er zijn ook mensen die zeggen dat ik meer trekken van mijn moeder heb. Daarnaast zijn er vooral veel mensen die vinden dat ik sprekend op de zus van mijn vader lijk toen zij zo oud was als ik nu ben. Mijn opa heeft ons ook lange tijd door elkaar gehaald toen hij aan het dementeren ging. En ik? Ik zou het niet weten.

Qua karakter denk ik dat de meningen wat minder verdeeld zullen zijn. Ik weet niet beter dan dat dat omschreven wordt als dat ik de positieve dingen van mijn moeder heb overgenomen en de slechte punten van mijn vader. Het is iets waar altijd wat lacherig over gedaan wordt, maar ik denk wel dat het een kern van waarheid bevat. Ik heb de onhandige, impulsieve recht-voor-zijn-raap karaktertrekken van mijn vader, maar tegelijkertijd het teruggetrokken, rustige, geduldige van mijn moeder. De vraag is alleen of je die eigenschappen moet onderverdelen in een “goed” en een “slecht”, want dat vind ik zelf eigenlijk te zwart-wit overkomen.
Ook voor wat betreft de dingen die ik leuk vind ben ik een mengelmoes van mijn ouders. Net als mijn vader houd ik bijvoorbeeld van voetbal en actie op tv, waar mijn moeder niets om geeft. Aan de andere kant kijk ik ook graag tennis en lees ik graag een boek, wat mijn vader dan weer niet snel zal doen.
Het enige dat ik echt duidelijk van één van mijn ouders heb overgenomen is mijn gevoel voor humor, dat ik zonder twijfel van mijn vader heb. Wij kunnen helemaal stuk gaan bij het zien van bloopers en lachen om dezelfde grappen, terwijl mijn moeder dan vaak heel droog voor zich uit zit te kijken.

Ondanks het feit dat ik dus trekken van allebei mijn ouders heb, voelt het geregeld alsof we al jarenlang in een compleet andere wereld leven. De voornaamste oorzaak zit hem, denk ik, in het feit dat ik hoogopgeleid ben en zij niet. Het is zeker niet zo dat ze dom zijn, maar wat voor mij heel logisch en vanzelfsprekend is, is dat voor hen niet altijd. Hoewel ik trekken van zowel mijn vader als mijn moeder heb, lijkt het daardoor regelmatig alsof ik van Mars kom en zij van Venus…

Tegenwoordig zeg ik altijd maar dat ik het meest op mezelf lijk.
Op wie lijk jij het meest?

Levensvragen 004: Verveling

Ik vermoed dat iedereen wel bekend is met het fenomeen ‘verveling’. Ondanks mijn enorme stapel activiteiten en verplichtingen heb ik er ook wel eens last van. Het is zeker niet zo dat ik niet weet wat ik zou moeten of kunnen doen en ik kan me prima vermaken. Toch zijn er nou eenmaal activiteiten waarbij er een grote kans is dat ik me ga vervelen. Zo kan ik bijvoorbeeld heel slecht televisie of film kijken. Ik kijk het wel en ik vind het ook heel leuk om te doen, maar ik ben vrijwel altijd tegelijkertijd met iets anders bezig omdat ik me anders ontzettend ga zitten vervelen. Hetzelfde geldt voor hoorcolleges volgen. Na een minuut of 25 zit ik geheid ondertussen ook met mijn telefoon te spelen of een lijstje te maken met dingen die ik nog wil of moet doen die dag. Auto rijden? Prima, maar dan wel met muziek om keihard mee te blèren.

Over het algemeen kan ik zeggen dat ik me ga vervelen wanneer ik de prikkels uit mijn omgeving saai vind. Een leuke film die me meesleept kan ik prima kijken, een of andere vage film die dat niet doet is een ramp. Een vrolijke, boeiende docent voor mijn neus maakt de kans dat ik andere dingen ga doen al kleiner dan wanneer er een oud, stoffig fossiel gaat opdreunen wat letterlijk in het boek staat. Studiestof die me aan het nadenken zet of uitdaagt om meer over een onderwerp uit te zoeken doet me veel meer dan oeverloos gezever over iets wat in mijn ogen heel logisch is.

Kort samengevat speelt verveling bij mij vooral tijdens activiteiten en niet zozeer bij het verzinnen van bezigheden. Mocht jij wel vaak eindeloos aan het zoeken zijn naar een activiteit om te gaan doen, geeft Paul de Leeuw met Kinderen voor Kinderen een paar suggesties ;) :

Levensvragen 003: Zelfvertrouwen

Ik moet eerlijk bekennen dat ik niet overloop van het zelfvertrouwen. Ik kijk met een kritische blik naar mezelf en alles wat ik doe, waardoor ik niet snel tevreden zal zijn. Het kost me doorgaans veel moeite om te zeggen dat ik iets wel ok vind, laat staan dat ik zal zeggen dat ik ergens écht blij van word of geweldig vind. Aan de ene kant zie ik dat als iets positiefs, want ik zie altijd wel dingen die voor verbetering vatbaar zijn waardoor ik mezelf kan blijven ontwikkelen. Aan de andere kant is het ook een hele vervelende eigenschap van mezelf, omdat het me af en toe vervreemd van mijn omgeving.

Toevallig had ik afgelopen week een vrij belangrijk gesprek over een conceptversie van een studie-opdracht. Ik had het gesprek met iemand “uit de praktijk”, dus de beste man zal ongetwijfeld weten waar hij het over heeft. Vrij nerveus ging ik zijn kamer binnen, omdat ik grote twijfels had bij de juistheid van mijn opdracht. De man steekt van wal met de mededeling dat hij onder de indruk was. ‘Was het zo beroerd?’ vraag ik hem nog. Niet dus. Eigenlijk had hij enkel een paar kleine puntjes over dingen die ik niet had kunnen weten.
Ik geloofde er niet veel van. Althans, ik geloof best dat hij enthousiast is en me niet voor gaat zitten liegen, maar zelf zie ik dat echt helemaal niet. Net als dat ik niet snap dat de supervisor van mijn scriptie zo lyrisch was over mijn schrijfstijl. Net als dat ik niet snap dat ik vrij geregeld complimenten krijg naar aanleiding van blogjes of dat mensen graag verhalen van mijn hand lezenf. Net als dat ik in groep 8 van de basisschool niet snapte dat mensen vonden dat ik, met een plankenkoorts van hier tot aan Tokyo, goed toneel kon spelen en eens moest overwegen om dat op meer professionele wijze op te pakken. Net als dat ik ook nooit gezien heb hoe goed ik kon squashen, want alle bekers en medailles werden afgedaan met een ‘het lag gewoon aan de tegenstand’.

Natuurlijk doet het me wat wanneer ik complimenten krijg van anderen. Ik zou een Neanderthaler zijn wanneer ik dat zou ontkennen. Tegelijkertijd kan ik er ook niet veel mee. Ik accepteer dat anderen ergens positief over zijn en ik ben daar heel blij om, maar toch zorgt het er niet direct voor dat ik door een andere bril naar mezelf en mijn doen en laten ga kijken. Het zorgt er hooguit voor dat ik naast mijn eigen kritische, vaak minder tevreden mening een andere mening hoor die me, in spaarzame gevallen, doet nadenken over de vraag of ik niet te streng voor mezelf ben. Mijn zelfvertrouwen groeit dus niet automatisch wanneer anderen iets positiefs over mij zeggen. Helaas ben ik wat dat betreft een stuk gevoeliger voor de minder positieve dingen die mensen over mij zeggen…

Wat doet hetgeen mensen over jou zeggen met jouw zelfvertrouwen?

Levensvragen 002: Eenzaamheid

Ondanks het feit dat mijn leven gevuld is met de nodige bezigheden, ben ik een vrij groot deel van mijn tijd alleen. Letterlijk. Ik ga naar colleges, ik ga naar mijn werk, ik doe mijn boodschappen, enzovoorts enzovoorts. Toch stap ik uiteindelijk iedere dag mijn stek binnen, waar ik weliswaar word begroet door mijn veestapel, maar waar verder niemand is. Of ik dat erg vind? Zeker niet. Ik vind het, zeker na een drukke dag, zelfs wel prettig om alleen te zijn. Om me niet aan te hoeven passen aan een ander en te kunnen doen en laten waar ik zelf zin in heb.

Eigenlijk ben ik van kinds af aan al iemand die graag op zichzelf is. Toen ik nog thuis woonde zat ik verreweg het grootste deel van mijn tijd alleen op mijn zolderkamer. Enerzijds denk ik dat het een beetje de aard van het beestje is, aangezien ook mijn moeder nauwelijks tijd met anderen doorbrengt. Aan de andere kant denk ik dat omstandigheden, zoals mijn slechthorendheid en het feit dat ik met name op de basisschool behoorlijk gepest ben, dat wel versterkt hebben: waarom mensen opzoeken als het je eigenlijk alleen maar gedonder oplevert?
Hoewel ik in de loop der jaren steeds meer mensen heb leren kennen waar ik het goed mee kan vinden, is de behoefte om alleen te zijn niet vervlogen. Ik kan me prima alleen vermaken met tig dingen die ik leuk vind om te doen. Zolang ik bezig ben, is er ook eigenlijk helemaal niets aan de hand. Toch zijn er wel eens momenten dat ik ga zitten piekeren, over allerlei dingen. Toch zijn er wel eens momenten dat een gevoel van eenzaamheid me omarmt, zoals dat bij ongeveer één op de vier Nederlanders af en toe gebeurt. Gelukkig zijn deze momenten spaarzaam en kan ik over het algemeen prima alleen zijn.

En jij?
Hoe goed kun jij alleen zijn?

Levensvragen 001: Je huissleutel

Afgelopen week was ik op een boekenbeurs waar ik puur toevallig het boek ‘Het boek met alle levensvragen: 501 vragen die tot inzicht leiden’ zag liggen. Normaal gesproken niet bepaald een boek dat ik snel op zal pakken om door te bladeren, maar toch trok dit boek mijn aandacht. Geen idee waarom, want de kaft is saai en er staan geen leuke plaatjes in ofzo, maar het gebeurde. Bij het boek wordt een “opdracht” gegeven:

Bepaal of je een vraag op een linker- of rechterpagina wilt beantwoorden. Sla het boek vervolgens willekeurig open en geef eerlijk antwoord. Antwoorden met ‘Ja’ en ‘Nee’ zijn niet voldoende. Vraag jezelf altijd af ‘Waarom …..?’

Leuk voor mezelf en wellicht ook leuk voor hier. Af en toe zullen er dus antwoorden op heuse levensvragen hier verschijnen. Laat ik maar meteen aftrappen!

Meteen zie ik me gesteld voor een lastige vraag. Hoewel, de vraag zelf is vrij makkelijk, maar het antwoord is ietwat confronterend. Op dit moment heeft namelijk helemaal niemand een sleutel van mijn huis; de reservesleutel heb ik zelf in mijn bezit.
Het is niet zo dat er niemand is die mijn sleutel voor me wil bewaren, voor het geval ik me ooit buitensluit of iets dergelijks. Integendeel. Ik word alleen zelf echt helemaal kriegel van het idee dat er iemand bij mij naar binnen kan op momenten dat ik er niet zelf bij ben. Ik heb een behoorlijk archief met dagboeken, schrijf geregeld verhalen die niet iedereen hoeft te lezen en heb creatieve uitspattingen die niet voor iedereen bedoeld zijn. Ik moet er absoluut niet aan denken dat er iemand in mijn huis ook maar de mogelijkheid krijgt te gaan snuffelen of per ongeluk spullen vindt die niet voor andermans ogen geschikt zijn. Hoewel ik weet dat de kans klein is dat dat gebeurt kan ik me daar maar moeilijk over heen zetten…

Desalniettemin is er één iemand geweest die ooit mijn reservesleutel mocht hebben. Niet mijn ouders, niet mijn buren, niet mijn vrienden, maar R. Het heeft me toen heel veel moeite gekost om hem mijn sleutel te geven, want ondanks het feit dat hij al dagboekstukken had mogen lezen en als enige écht alles wist over mijn niet zo fraaie verleden zag ik het geven van mijn reservesleutel als de ultieme daad van iemand binnen laten in mijn leven, een ultieme daad van iemand vertrouwen zoals ik nooit eerder iemand had vertrouwd (en nadien ook niemand meer heb vertrouwd). Op dat moment was ik naïef genoeg om te denken dat hij me dan ooit eens zou verrassen door onaangekondigd voor de deur te staan of te blijven wanneer ik een miezerig college had terwijl hij vrij was, maar uiteindelijk is die sleutel nooit gebruikt. Ik ben hem braaf iedere keer van het station gaan halen wanneer hij kwam en uit gaan zwaaien wanneer hij weer op de trein stapte.
Toen er een punt achter onze relatie kwam te staan en ik mijn sleutel ook weer terug had, heeft het ding onaangeraakt op dezelfde plek gelegen tot ik ging verhuizen en die reservesleutel ook in moest leveren. Ook dat kostte moeite, maar dan om een heel andere reden…

Al met al kan ik concluderen dat ik mijn huissleutels niet graag uit handen geef.
Hoe zit dat met jou?